Wat je allemaal met sociale media kunt als trainer of facilitator…

May 15, 2011

We komen steeds meer trainers en facilitators tegen die tot nu toe vooral face-to-face werken en nu wel meer gebruik willen gaan maken van van sociale media om ook online uit te wisselen, vanuit de gedachte dat het een waardevolle aanvullende ondersteuning kan zijn voor de kwaliteit van het leerproces. Er zijn verschillende manieren waarop je sociale media in kunt zetten. Een model dat 3 verschillende manieren onderscheidt en daarmee richting geeft aan de vraag hoe je sociale media kunt gebruiken in e-learningtrajecten is ontwikkeld door Jane Hart:



Dit model zou je ook kunnen gebruiken om na te denken over de rol van sociale media in face-to-face leertrajecten.

(1) Wrap-around model: sociale aspecten van leren worden toegevoegd als extra element om trainer- en peer support te organiseren. Een voorbeeld is gebruik van Yammer of Twitter zodat deelnemers ook tussen f2f bijeenkomsten door contact kunnen hebben en uit kunnen wisselen over praktijkervaringen en vraagstukken gerelateerd aan de inhoud van het leertraject.

(2) Integrated model: sociale aspecten van leren zijn geïntegreerd met de inhoud. De primaire focus van het leertraject blijft de inhoud, maar sociale media zijn een integraal onderdeel van de cursus. Zo kun je gebruik maken van een online community omgeving (e.g. Ning of een LinkedIn groep) waarmee je het leertraject online begint, tussen bijeenkomsten door gebruikt om aan specifieke opdrachten te werken en na de laatste f2f bijeenkomst kan het dienen als basis voor online coaching.

(3) Collaboration model: sociaal leren en samenwerken vormen de basis van het leertraject. De inhoud wordt gemaakt in co-creatie met de deelnemers. Bij dit model maak je wellicht gebruik van een combinatie van sociale media die elkaar in het gebruik goed aanvullen: deelnemers vormen een Yammer-netwerk voor onderling contact, gebruiken Scrumble om online te brainstormen, werken met google.docs of een wiki om inhoudelijke ideeen verder uit te werken en gebruiken een unieke hashtag in Delicious om een collectief internetgeheugen met elkaar op te bouwen. Dit lijkt meer op een leernetwerk. De inhoud komt vanuit de groep.

Zoals je ziet nemen sociale media van wrap-around naar collaboration model een steeds centralere rol in. Jane Hart waarschuwt bij het eerste model dat je dit met zorgvuldigheid moet gebruiken. Je moet een goede reden hebben om social learning toe te voegen, anders is het heel moeilijk om een ‘wrap around model’ werkbaar te maken. De kracht van het tweede model zit in een goede integratie van online en f2f leren. Zo pleiten wij ervoor om al bij het ontwerp van een leertraject beide vormen van leren mee te nemen en even sterk te ontwerpen, in te richten en te plannen. Zodanig dat online en f2f leren elkaar versterken. Zoek naar de juiste verbinding tussen online en face-to-face leren om de kracht van verschillende media te benutten. In het derde model vormen sociale media de basis van het leertraject en wordt deelname

Belangrijk om je te realiseren is ook dat de inzet van sociale media uitgaat van een ander perspectief op leren, gericht op co-creatie en openheid en hiermee makkelijk(-er?) aansluit bij een sociaal-constructivistische visie op leren waarbij uitgegaan wordt van zelfsturing door deelnemers en het belang van interactie en conversaties tussen deelnemers. Sociale media stimuleren netwerken, uitwisselen van ideeën en ervaringen, samenwerken en sluiten daarom goed aan bij deze visie. Dit maakt ook dat je rol als trainer anders is bij wrap-around en integrated model dan bij het community model. Bij dit derde model ben je eerder een ‘tutor as an equal member of the learning group’, je helpt bij het creeëren van een krachtige leeromgeving. Dit neemt niet weg dat je sociale media ook bij trajecten ontworpen vanuit een andere leervisie in kunt zetten. Een andere indeling die sterk lijkt deze indeling van Jane Hart is van Dave Wilkins. Hij onderscheidt het embedded model, wrapped model en community model. Zijn blogpost hierover is de moeite waard om eens te lezen. Het model van Jane Hart kan je helpen na te denken over de rol van sociale media in jouw eigen leertraject en het maken van keuzes daarin als facilitator, procesbegeleider of trainer. Hoe centraal staan sociale media en online conversaties?

We zien een grote verscheidenheid aan leerinterventies waarbij sociale media een belangrijke rol kunnen spelen. We maken zelf een onderscheid tussen kleinschalige en grootschalige activiteiten en een verschil tussen eenmalige leerinterventies of langdurende trajecten om deze interventies in te delen. Bij een kort traject maak je andere afwegingen dan bij een langlopend traject of netwerk, zo kun je investeren in het leren werken met een wiki in een netwerk, maar zul je dit niet zo snel doen voor een eendaagse workshop. Hiermee komen we tot het volgende schema met een aantal mogelijke leerinterventies die je kunt faciliteren met behulp van sociale media. Op de horizontale as vind je helemaal links leeractiviteiten bedoeld voor een kleine groep deelnemers (e.g. een training met 12 personen), en rechts de grootschalige activiteiten (denk aan een conferentie met 80 mensen). Verticaal maken we onderscheid tussen eenmalige leeractiviteiten (een 1-daagse workshop, training of conferentie) en langer lopende leerprocessen, zoals een leertraject van een jaar of een leernetwerk.

Het type leerinterventie heeft invloed op hoe je sociale media in gaan zetten, al kun je daarin nog heel creatief zijn en is er geen eenduidige handleiding voor te maken. Een aantal voorbeelden:

  • Online kennismaking: Je faciliteert een training over breinleren en je wilt deelnemers al vantevoren betrekken bij het onderwerp. Door een online onderzoekje, een blogpost met daarbij de vraag aan deelnemers om hun vragen en verwachtingen te delen of je nodigt deelnemers uit te twitteren over hun ervaringen ten aanzien van breinleren, gebruikmakend van een voor deze groep unieke hashtag.
  • Conferentie2.0: Je bent betrokken bij een grootschalig  congres over leidinggeven en wil social media gebruiken om gedurende het congres een soort ‘backchannel’ in te richten. Middels Twitter en een twitterfountain die gedurende de dag voor iedereen zichtbaar is. Ook maak je gedurende de dag een aantal filmpjes die je beschikbaar maakt voor de mensen die niet konden komen of niet bij die workshop konden zijn.
  • Online follow-up: Je gelooft sterk in het principe van herhaling om iets dat je nieuw hebt geleerd te laten beklijven. Deelnemers stuur je na afloop van de training nog regelmatig een smsje met daarin een vraag of reminder. Of je nodigt ze uit om op twitter in contact te blijven.
  • Web-conferenties: Je werkt binnen een multinational en je wilt graag iets organiseren over het onderwerp ‘projectmatig werken’. Er is geen budget om voor dit onderwerp een grote internationale conferentie te organiseren. In plaats daarvan besluit je een web-conferentie van 2 dagen te organiseren. Je begint en eindigt met een open chat sessie en organiseert gedurende de twee dagen verschillende workshops van 1-1,5 uur met gastsprekers van binnen en buiten de organisatie.
  • Online follow-up: Je faciliteert een workshop bij een kinderopvangorganisatie over het gebruik van sociale media in het contact met ouders. In de workshop maak je een start met Yammer, om zo de discussie voort te kunnen zetten na de sessie.
  • Hybride leertraject: Je werkt langere tijd met een groep projectmanagers en hebt een online leerplatform (Ning, Moodle, ELGG) ingericht om het leren tussen bijeenkomsten door ook te ondersteunen. Inhoudelijk experts kunnen hier een rol hebben, deelnemers werken online aan producten en geven elkaar feedback, er lopen discussies die gaan over toepassing van nieuwe informatie in eigen werkpraktijk.
  • E-coaching: Je hebt enige tijd met een groep trainees gewerkt en de f2f ontmoetingen zijn afgelopen. Elke trainee gaat weer naar zijn eigen werkplek en jij begeleidt ze middels e-coaching bij het toepassen van het geleerde in de praktijk. Hiertoe gebruik je Skype, email en google.docs.
  • Online leernetwerk: Je wilt mensen ondersteunen bij het leren schrijven van goede blogposts. Hiertoe heb je een online handboek geschreven waar deelnemers 31 dagen mee kunnen werken. Parallel daaraan heb je een community ingericht waar gebruikers van dit handboek elkaar kunnen ontmoeten, elkaar feedback geven op geschreven blogpost en tips krijgen van jou als trainer. Daarnaast stuur je ze elke maandag een lijst met inspirerende blogpost onderwerpen en de vraag om specifiek op 2 blogposts van andere deelnemers feedback te geven.
  • Blogkermis: Je wilt als organisatie het denken over het gebruik van sociale media door non-profit organisaties stimuleren terwijl de meeste contacten al wel een weblog hebben. Je nodigt ze uit iedere maand over een inspirerende vraag te bloggen en maakt de resultaten beschikbaar via Twitter en je eigen weblog.
  • Online community: Over de hele wereld zijn beleidsmakers, onderzoekers en praktijkmensen bezig met een nieuwe benadering voor bosregeneratie. Je gebruikt Ning en Twitter om een online community te laten uitwisselen om zo innovatie te stimuleren, maar ook stuur je iemand naar een conferentie om daarover te bloggen. Zo maak je de informatie uit de conferentie toegankelijk voor de online community.

Dit is een blogpost geschreven in voorbereiding op de middag op 19 mei georganiseerd door het IAF over het inzetten van sociale media door facilitatoren. Ik heb de blogpost geschreven samen met Joitske Hulsebosch en we vragen deelnemers aan de workshop dit alvast door te lezen en te reageren. Dan weten wij als facilitators al wat over de interesses in de groep en kunnen we ons daar beter tegen wapenen.

Rollen in netwerken

May 3, 2011

Heeft een netwerk specifieke rollen nodig om goed te werken? En moet je deze rollen dan toewijzen aan bepaalde personen of is het vooral belangrijk dat mensen rollen ‘oppakken’ naar gelang de noodzaak op dat moment? En ga je teveel organiseren wanneer je vanuit rollen kijkt naar een netwerk en is het krachtiger om uit te gaan van het zelf-organiserend vermogen in netwerken? Tijdens een meemaakdag van de ECLO op 29 maart j.l. hebben wij (Sibrenne Wagenaar en Joitske Hulsebosch) hier met een groep deelnemers over gesproken. Aanleiding om verschillende gedachtes eens op een rij te zetten in deze blogpost!



Te beginnen bij onszelf….
een leernetwerk waar we beiden in participeren is een netwerk van mensen die allemaal op een bepaalde manier sociale media inzetten in leerprocessen en trainingen. Rollen zijn niet expliciet benoemd. Doordat wij het initiatief hebben genomen om mensen uit te nodigen hebben wij het gevoel wel iets verantwoordelijker te zijn voor het reilen en zeilen in dit netwerk. We bespreken regelmatig met elkaar het proces, polsen de mening van andere netwerkleden, nemen initiatief tot het beleggen van een f2f bijeenkomst, starten een online brainstorm, zijn aanwezig bij online webinars. Maar in principe kan iedereen het initiatief nemen tot het starten van activiteiten en dat gebeurt ook wel.

Dit roept de vraag op… kan het leden in een netwerk helpen om rollen expliciet te benoemen? Eigenlijk hebben wij het zelf nooit over rollen gehad maar wellicht is het in de opstartfase van een netwerk wel prettig om een expliciete rol te hebben. Dat geeft je een bepaalde focus mee die maakt dat je een duidelijke bijdrage kunt leveren aan een netwerk. En daarmee ook vorm geeft aan, initiatief kunt nemen, actief kunt bijdragen. De kunst bij netwerkleren is vaak om dit goed in te passen in je al bestaande werkritme. Om er, tussen alle lopende projecten en afspraken door, aan te denken. En natuurlijk is het cruciaal dat de inhoud van het netwerk relevant voor je is en aansluit bij het andere werk dat je doet. Maar het hebben van een rol kan hier zeker ook aan bijdragen.

In deze blogpost spreken we over een leernetwerk als een groep mensen die elkaar vinden op basis van een gemeenschappelijke interesse of een gedeeld vraagstuk en die op een redelijk expliciete manier een netwerk vormen, offline, online of in combinatie.

Welke rollen kun je onderscheiden?
Er bestaan veel verschillende indelingen van rollen voor (leer)netwerken. Het Ruud de Moor Centrum heeft onlangs een mooie toolkit netwerkleren gemaakt en benoemt hierin 6 rollen, verdeeld over een interne en externe focus. Er zijn nog twee bronnen die we graag met jullie delen: 5 rollen beschreven door Eric Davidove en 11 rollen beschreven door Michael Fontaine.

We geven deze driedeling niet zozeer om ze te vergelijken, maar meer om de verscheidenheid te tonen. Het is lastig ze met elkaar te vergelijken omdat ze vanuit verschillende perspectieven zijn beschreven. Het overzicht van Ruud de Moor Centrum gaat uit van meerdere leernetwerken in een systeem, waarbij externe rollen nodig zijn ter ondersteuning. Eric Davidove heeft op basis van literatuuronderzoek een overzicht gemaakt van meest genoemde rollen in een Community of Practice. En Michael Fontaine heeft gekeken naar rollen en de ontwikkeling hiervan in communities in een aantal grote organisaties. In zijn optiek zijn bepaalde rollen (e.g. sponsor, leader, subject matter experts) in de beginfase van een netwerk belangrijk, en in de loop van de tijd vinden daar zichtbare verschuivingen plaats. Boeiend om zijn artikel hierover te lezen!

Formele of informele rollen?

Er zit een verschil tussen spontaan een rol vervullen (bv. van inspirator of initiator) en het formaliseren van rollen in een netwerk. Het kan zin hebben om sommige rollen te formaliseren om duidelijkheid te scheppen en om de verantwoording duidelijk bij iemand te leggen. Zo kun je een bepaalde ontwikkeling binnen het netwerk bewaken. Dit geldt met name voor een coördinatorschap, maar ook voor minder voor de hand liggende rollen als inspirator of monitor. Zo heeft Habiforum een drietal masterrollen ingesteld: een ‘innovatiecoach’, een procescoach en een coach voor leren en ontwikkeling, zie dit artikel van Kranendonk en Kersten

Wij zijn er van overtuigd dat het belangrijk is dat een rol goed aansluit bij iemand’s talent en voorkeur. Heb je van nature de neiging om met initiatieven te komen, dan past de rol van ‘activator’ je waarschijnlijk goed. Neem je snel de lead in een bijeenkomst, dan ligt het wellicht voor de hand om de rol van facilitator of coordinator te gaan vervullen. Je hebt toch al de neiging om dit te doen. Wel is het goed mogelijk dat je in verschillende netwerken andere rollen speelt. ! Het is goed mogelijk dat je in een bepaald netwerk de rol van ICT-coach op je neemt en de volgende keer meer de connector bent. Dit was oa. de constatering van de deelnemers op de ECLO meemaakdag.

Welke rol ben jij geneigd op je te nemen in een leernetwerk? Hier is een leuke test om te kijken welke rol je aanspreekt, welke rol jij pakt.

Rollen als bril om te kijken naar het functioneren van een leernetwerk
Wij geloven sterk in het zelf-organiserend vermogen van een leernetwerk: mensen met een gedeelde passie vinden elkaar. Heeft het dan toch zin om te denken in termen van rollen in leernetwerken? Zeker wel, omdat het een bepaald perspectief biedt om naar een netwerk te kijken. Welk type bijdragen leveren verschillende leden? Wat maakt dat iets niet goed loopt? Missen we wellicht een bepaalde rol? Het bespreken van de rollen geeft daarmee een raamwerk om een discussie over het functioneren van het leernetwerk te voeren. Op basis van deze bespreking kun je daarna besluiten om rollen bv. wat explicieter aan een persoon of verschillende personen toe te wijzen. Om een leernetwerk ook in de tijd goed te laten blijven werken is het waardevol dat leden van het netwerk zich bewust zijn van rollen die daartoe nodig zijn en de bijdrage die zij daar vanuit kunnen leveren. Naar aanleiding van een bespreking van de rollen kan het netwerk besluiten:

  • een rol explicieter aan iemand toe te wijzen (denk aan het benoemen van een kernteam);
  • netwerkleden te stimuleren een rol te pakken op basis van talenten, voorkeuren;
  • rollen vaker af te wisselen, bijvoorbeeld vanuit een leerperspectief;
  • het ‘denken in termen van rollen’ gebruiken om zo nu en dan te reflecteren op het proces in het netwerk.

Rollen als bril om te kijken naar organisaties
Tenslotte ging het gesprek op de ECLO dag ook over het kijken naar medewerkers in een organisatie in termen van rollen in plaats van functies. Werkend op een netwerk-achtige manier kun je beter uitgaan van wisselende rollen dan van vaste afdelingen. Zo kun je kijken naar wisselend leiderschap ipv naar vaste managers. Dit is misschien wel de organisatie vorm van de toekomst?

Zorgen dat men voor zichzelf kan zorgen…

November 11, 2010

Wat hebben een zwerm vogels, ons ecosysteem, wikipedia en een mierenhoop met elkaar gemeen? Dat ze sterk zijn in zelforganisatie. Daar ging de conferentie over waar ik gisteren bij was: De Tweede Nationale Dag van de Zelforganisatie. Het mooie van het thema zelforganisatie is dat het op heel veel verschillende plekken speelt. Zelforganisatie wordt natuurlijk sterk gestimuleerd door web2.0. De mogelijkheid die het mensen biedt om zelf toe te voegen, te creëren, verbindingen te maken. Maar het speelt ook bij de overheid in het stimuleren van burgerparticipatie. En door de ontwikkeling van de TomTom kunnen we ons als weggebruikers steeds makkelijker zelf organiseren.

De conferentie had weinig zelforganisatie in zich, maar a-la. De bijdragen waren grotendeels boeiend! Met name de voorbeelden uit de zorg spraken me aan: “Je moet niet voor mensen zorgen, maar zorg dat men voor zichzelf kan zorgen.” Hans Becker, adviseur van Stichting Humanitas in Rotterdam vertelde op pakkende wijze hoe ze vanuit zelforganisatie de ouderenzorg hebben ingericht. Vier kernwaarden speelden daarbij een rol: (1) eigen regie, (2) eigen activiteit, (3) groepselement en (4) een ‘ja’cultuur. Een voorbeeld, enigszins gekscherend verteld: “Een nieuwe bewoonster is dol op katten en wil 5 katten meenemen. Dat is wel wat veel, maar laten we in gesprek gaan. Blijkt 1 kat al 22 jaar te zien. Die is echt te oud om nog te verhuizen. Houden we er nog 4 over. Door de ‘ja-cultuur’ ontstaat een dialoog, en een medebewoonster gaat zich er mee bemoeien. Zij woont hier al een paar jaar en mocht haar katten toendertijd niet meenemen. Maar ze was er zo dol op! In die tijd deed Stichting Humanitas nog niet aan zelforganisatie, en nu wel. Mooie opbrengst van het gesprek tussen de medewerkers en deze twee dames is uiteindelijk dat beide dames voor 2 katten gaan zorgen. Daarmee wordt het een stuk overzichtelijker!”

Verder een pakkend verhaal van Roger van Boxtel, vanuit zijn rol als Raad van Bestuur van Menzis. Daar worden onder meer verzekerden expliciet uitgenodigd om mee te denken. Een vorm van co-creatie. En Keith Bakker was te gast, samen met Wim Slot. Wim Slot houdt zich als hoogleraar bezig met de kinderbescherming: “Uiteindelijk is alles er op gericht dat het gezin weer autonoom kan functioneren en dat dwang en drang van buitenaf niet meer nodig is. Dat betekent dat ouders sterker worden gemaakt en dat het gezin leert gebruik te maken van positieve krachten in hun netwerk.” Fantastisch hoe hij denkt vanuit groei en ontwikkeling.

En daar vinden de beide heren elkaar. Keith Bakker is wel bekend van het televisieprogramma ‘Van Etter tot Engel.’ Althans, ik kende hem daarvan. Hij heeft een afkickkliniek in Amsterdam en hij werkt heel sterk vanuit zelforganisatie. 8 jonge meiden heeft hij bij zich. Allemaal na een noodkreet bij hem terecht gekomen: anorexia, snijden, branden. Ze vertelden erover met enige humor. En vanaf het eerste moment dat ze bij Keith kwamen zijn ze gestopt met wat ze deden. Na een reeks therapieën en behandelingen die niet mochten baten, en eigenlijk zelfs alleen maar zieker maakten. Zei Keith tegen ze: “Je gaat je nu gedragen als een volwassene.” In tegenstelling tot al die therapieën waarbij men op zoek ging naar de betreffende stoornis, gaat Keith er vanuit dat het normale mensen zijn, en dat er in hun directe omgeving iets goed mis is. Waar je wel ziek van kunt worden, maar je wordt niet beter door de anorexia te bestrijden. Prachtig verhaal en een heel bijzondere man!

De vertaling naar ons werk?

  • Ruimte bieden aan mensen om initiatief te nemen;
  • Creëer ontmoeting en stimuleer groepsvorming;
  • Een bottom-up benadering: laat mensen aan het woord;
  • Werk vanuit waardering, groei en kracht.
  • Stimuleer een ja-cultuur, ga in dialoog.

Hoeveel whuffie heb jij?

April 2, 2010

Dwaal jij wel eens rond in het web2.0 landschap? En vraag je je dan af wat je ermee kunt? Ik vind het boeiend om te kijken hoe sociale media ondersteunend kan zijn in leerprocessen. Met Delicious een gezamenlijke online bibliotheek aanleggen. Met een wiki samenwerken aan een product. Met een Ning-omgeving een online werkplatform creëren. En met Twitter je netwerk ook online vormgeven. Opbouwen van je sociaal kapitaal. Tara Hunt schrijft hier op een heel creatieve, vlotte manier over in haar boek ‘De whuffie factor‘. Zij gebruikt het begrip ‘whuffie’ om je sociaal kapitaal aan te duiden. En whuffie is dan ‘wat je als betaalmiddel overhoudt aan je reputatie. Je kunt het verliezen of verdienen door je positieve of negatieve acties, door je bijdragen aan (online) gemeenschappen en door wat mensen van je denken. Je kunt je whuffie afmeten aan je interactie met gemeenschappen en individuen.

Ik vind het een erg aansprekend concept, wat voor mij duidelijk maakt waar het voor een groot deel om gaat bij het gebruik van sociale media. Het gaat verder dan netwerken. Het gaat over wederzijdse aantrekkelijkheid, over vertrouwen, authenticiteit, impact hebben en goed doen. En hoe kan je aan whuffie komen? Tara noemt vijf stappen:

1. Draai de megafoon eens om: stop met praten en ga eens luisteren.

2. Word onderdeel van de gemeenschap die je bedient.

3. Zorg dat je opvalt en creëer fantastische ervaringen voor anderen.

4. Laat de chaos toe. Plan niet te veel. Zorg dat je de alledaagse magie erkent.

5. Sociaal kapitaal stijgt alleen in waarde wanneer je het weggeeft. Zoek uit hoe je aan de gemeenschap kunt teruggeven en doe dat dan… en vaak.

Ben jij benieuwd naar jouw whuffie factor? Kijk dan eens bij De Whuffie Bank.